You are here

Aardappeltopluis

Aardappeltopluis
Macrosiphum euphorbiae

Aardappeltopluis

Deze luis komt vooral voor op bloemen en stengeltoppen. De primaire waardplanten zijn de niet-houtige gewassen. De secundaire waardplanten zijn diverse groentengewassen van de familie van de zwarte nachtschadigen, de koolactigen en de boonachtigen. De grootte varieert van 2,5 – 3,8 mm.

  
 
Kenmerken
Van de aardappeltopluis komt zowel een groene als oranje of lichtpaars gekleurde vorm voor, die meestal tezamen worden aangetroffen. De ongevleugelde exemplaren zijn 2,5 – 3,8 mm groot. De meest voorkomende kleur is groen met een donkere lengtestreep op het midden van de rug. Het voorhoofd is zonder tuberkels. De antennen zijn langer dan het lichaam. De antenneleden drie tot en met vijf zijn lichtbruin. Het zesde lid is glanzend bruin. De sifonen zijn lang en cilindrisch van vorm. Zij reiken bijna tot aan het eind van de cauda. De cauda is lang en dun toegespitst, kleurloos tot lichtbruin. De gevleugelde exemplaren zijn 2,3 – 3,4 mm. Er zijn geen voorhoofdtuberkels aanwezig. Kop en borst zijn geelbruin. De antennen zijn langer dan het lichaam. Het achterlijf is groen of roodachtig met een donkere lengtestreep. Er zijn pigmentvlekken. De lange cilindrische sifonen variëren van onderen van licht tot bruin aan de uiteinden. De cauda is lang, dun en toegespitst. Bladluizen in aardappel
 
Levenscyclus
De aardappeltopluis overwintert op onze breedtegraad als ei in kassen of andere vorstvrije ruimten. In zachte winters vindt de overwintering in het veld plaats, onder andere op kruiskruid en herderstasje. De soort ontwikkelt zich in het voorjaar bijna altijd uit een zeer kleine restpopulatie. Daardoor komt ze in de aardappelvelden later op gang dan de groene perzikbladluis en als gevolg daarvan worden ze zelden massaal aangetroffen. Op aardappel zijn de bladluizen voornamelijk aan de onderzijde van de bladeren te vinden, bij sterkere aantasting echter ook aan de bovenzijde van de jongste plantendelen.
 
Schade
Op aardappelplanten en op tomaten in kassen worden vooral de toppen en de bloemen aangetast. De non-persistente Y-, A-, M-, en S-virussen, en in geringe mate ook het aardappelbladrolvirus, worden door deze soort overgebracht.