You are here

Braam-Graanluis

Braam-Graanluis
Sitobion fragariae (Walker, 1848)

Braam-Graanluis

Wijdverspreide middelgrote soort (op grassen 1,4-3,3 mm) die algemeen voorkomt in Europa, het Middellandse-Zeegebied, het Midden-Oosten, Zuid-Afrika, Australië en Noord-Amerika.

Kenmerken

Het voorhoofd wordt gekenmerkt door vrij lage voorhoofdsknobbels met van elkaar wijkende binnenranden en een kleinere middenknobbel. De vrij brede spilvormige ongevleugelde levendbarende vrouwtjes hebben antennen die uit zes leden bestaan en gewoonlijk even lang of maximaal 1,3 maal zo lang zijn als het lichaam. Het laatste antennelid is iets korter dan de sifonen. De sifonen zijn lang en iets wigvormig, circa 1/4 maal de lichaamslengte en gewoonlijk twee maal zo lang als de cauda. Aan het distale einde is een netvormig patroon aanwezig tot op 21 % van de totale lengte. De cauda is puntig, duidelijk ingesnoerd en bezet met maximaal negen haartjes. De kleur van de bladluis is vuilgroen en soms vrij donker midden op de rug. De kop is min of meer donker en de cauda bleek, terwijl de antennen en sifonen zwart zijn. Ongevleugelde en gevleugelde vrouwtjes hebben een duidelijke donkere tekening over de segmenten.

Levenscyclus

De braam-graanluis overwintert als eitje, gewoonlijk op braam (Rubus spp.). De eitjes komen uit in het voorjaar en ontwikkelen zich tot ongevleugelde vormen (stammoeders). Deze bladluizen koloniseren het liefst scheuten en de onderzijde van het blad van de primaire waardplant. Er leven drie generaties op braam. De derde generatie is gewoonlijk volledig gevleugeld en vliegt over naar een secundaire waardplant waar deze zich gedurende de rest van het seizoen parthenogenetisch vermeerdert. Op grasachtigen koloniseren de bladluizen de bovenste bladeren. In de herfst worden er gevleugelde mannetjes en gynopare individuen voortgebracht. Uit deze laatste komen de geslachtelijk voortplantende ovipare vrouwtjes voort, die hun eitjes afzetten op knoppen en takjes. Overwintering als levendbarende vorm is niet gemeld. Primaire waardplant (winter) Rubus-soorten, incidenteel Fragaria-soorten, rozen (Rosa spp.) en nagelkruid (Geum spp.) Secundaire waardplant (zomer) Verscheidene grasachtigen (Gramineae), waaronder economisch belangrijke gewassen Levenscyclus Holocyclisch

Schade

De zuigactiviteit van de braam-graanluis veroorzaakt een lichte krulling van het blad van de primaire waardplant. De bladluis koloniseert het liefst secundaire planten die groeien in beschutte, vochtige omstandigheden. Daardoor ontstaan er op granen slechts kleine kolonies en is deze bladluis voor granen in het algemeen niet schadelijk. Het is echter wel een overbrenger van het gerstevergelingsvirus. Meldingen van ernstige schade die door deze soort zouden zijn veroorzaakt, berusten waarschijnlijk op een foutieve identificatie.