You are here

Corn leaf aphid

Corn leaf aphid
Rhopalosiphum maidis (Fitch, 1856)

Corn leaf aphid

Middelgrote soort (1,3-2,9 mm) die algemeen voorkomt, over de gehele wereld is verspreid en waarschijnlijk uit Azië afkomstig is.

Kenmerken

Het voorhoofd wordt gekenmerkt door zwak ontwikkelde voorhoofdsknobbels. De vrij langwerpige ongevleugelde levendbarende vrouwtjes hebben antennen die uit zes leden bestaan en iets korter zijn dan de helft van het lichaam. Het laatste antennelid is langer dan 1,5 maal de lengte van de sifonen. De sifonen zijn vrij kort, bijna cilindrisch met een zwak ontwikkelde vernauwing beneden het distale einde, korter dan 1/10 van het lichaam en tot 1,4 maal zo lang als de cauda. De cauda is tongvormig en bezet met vier tot zes haartjes. De kleur is donker-olijfgroen of blauwachtig groen en neigt naar donkere tinten. Wanneer de bladluis is opgegroeid in koele omstandigheden en naar bleekgroen wanneer deze is opgegroeid onder warme omstandigheden. Alleen achter de sifonen is een donkerder groene markering op de rug aanwezig. Kop, antennen, sifonen en poten zijn donkergroen. Het lichaam is bedekt met een dun laagje wasachtige poeder. Ongevleugelde vrouwtjes zijn meestal niet gepigmenteerd op de rug van het achterlijf, terwijl gevleugelde vrouwtjes donkere vlekken op de zijkant hebben.

Levenscyclus

Bij zachte weersomstandigheden of in een binnensituatie overwintert de soort anholocyclisch. In Afrika is een enkel mannetje gevonden, maar een holocyclus is nooit waargenomen. Uit de vangstanalyses van gele vangbakken en zuigvallen blijkt dat deze soort in Europa elk jaar vanuit het zuiden (mogelijk uit het Middellandse-Zeegebied) naar het noorden migreert. Blijkbaar zijn er stammen die verschillende waardplanten koloniseren. Waardplant (winter en zomer) Verschillende soorten grasachtigen (Gramineae) (waaronder ook veel economisch belangrijke gewassen, zoals maïs, sorghum, tarwe en gerst) Levenscyclus: Anholocyclisch (mogelijk permanent)

Schade

Deze bladluis koloniseert de stengels en de bovenzijde van het blad van maïs en sorghum en soms ook van gerst en rogge. De soort tast alle bovengrondse delen van de ma"isplant aan. De zwaarste schade wordt aangericht aan de pluim. De bladluis is vaak zo massaal binnen het beschermende schutblad van de pluim aanwezig dat de bestuiving wordt belemmerd en er onvolledige aren ontstaan. De zuigactiviteit veroorzaakt krulling van het blad in de lengterichting. Het blad kan ook zijn bedekt met een laag bladluizen en dan verwelken. Bij een zware aantasting worden de bladeren chlorotisch en verdrogen zij. Rhopalosiphum maidis produceert grote hoeveelheden honingdauw die mieren kan aantrekken en de ontwikkeling van roetdauwschimmels mogelijk maakt. Deze kunnen dan weer dienen als voedsel voor andere aandoeningen van maïs. Deze bladluis is een overbrenger van verscheidene persistente virussen zoals het gerstevergelingsvirus, (het maize leaf fleck virus en het millet red leaf virus) en non-persistente virussen zoals (het abaca mosaic virus) het maïsmozaïekvirus (en het sugar cane mosaic virus).