Erwtenbladluis Erwtenbladluis | Syngenta Nederland

You are here

Erwtenbladluis

Erwtenbladluis
Acyrthosiphon pisum (Harrris, 1776)

Erwtenbladluis

Algemeen voorkomend en wijdverspreid, vrij grote soort (2,2-5,5 mm) die waarschijnlijk van palaearctische oorsprong is. De kleur van de bladluis kan variëren.

Kenmerken

Het voorhoofd heeft grote voorhoofdsknobbels met van elkaar wijkende binnenranden, zonder middenknobbel. De langwerpige, ongevleugelde levendbarende vrouwtjes hebben antennen die uit zes leden bestaan en even lang of tot wel 1,6 maal zo lang zijn als het lichaam. Het laatste antennelid heeft 0,8-1,4 maal de lengte van de sifonen. De sifonen zijn lang en zeer dun, de doorsnede in het midden is kleiner dan de doorsnede in het midden van de achtertibia, circa 1/4 maal de lichaamslengte en 1,2-1,9 maal zo lang als de cauda. De cauda is puntig, licht ingesnoerd en bezet met 7-23 korte haartjes. De kleur van de bladluis is wisselend (geelachtig groen, groen of incidenteel rozerood). Het lichaam is bedekt met een dun laagje wasachtig poeder, wat vaker voorkomt bij larven dan bij adulten. Ongevleugelde vrouwtjes zijn meestal niet gepigmenteerd op de rug van het achterlijf, terwijl gevleugelde vrouwtjes kleine vlekken aan de rand bezitten. Zij zijn zeer gevoelig voor verstoring en reageren op het alarmferomoon door op de grond te vallen.

Levenscyclus

De erwtenbladluis bestaat uit veel ondersoorten en stammen, die verschillen door de voorkeur voor waardplanten. De soorten die erwten koloniseren, overwinteren als eitje op overblijvende vlinderbloemigen (bv. op vogelwikke (Vicia cracca) of ringelwikke (V. hirsuta)), of minder vaak op klaver. De eitjes komen vroeg, in het voorjaar uit en ontwikkelen zich tot larven, die leven op de knoppen van hun waardplant. Uit de rijpe ongevleugelde vormen (stammoeders) komen verscheidene generaties voort. Gevleugelde migranten die in voorjaar/zomer zijn voortgebracht, vliegen naar andere vlinderbloemigen waar zij zich gedurende de rest van het seizoen parthenogenetisch voortplanten. Daar produceren ze gevleugelde exemplaren die zich verspreiden en andere planten koloniseren. Per jaar kunnen er 7 tot 15 generaties worden voortgebracht. In de herfst produceren de bladluizen die de erwt koloniseren, gevleugelde mannetjes en geslachtelijk voortplantende vrouwtjes, die hun eitjes afzetten op stengels en bladeren. In warme klimaten komt waarschijnlijk wel overwintering als levenbarende voor. Primaire waardplant (winter) Vogelwikke (Vicia cracca), ringelwikke (V. hirsuta) en klaver. Secundaire waardplant (zomer) Veel vlinderbloemigen(Leguminosae), waaronder ook veel economisch belangrijke gewassen. Levenscyclus Holocyclisch (soms ook anholocyclisch).

Schade

De bladluis zuigt sap uit de zeefvaten van blad, bladstengels, stelen en knoppen. Ernstige schade ten gevolge van de zuigactiviteit resulteert in vergeelde, verwelkte en klein blijvende planten. 's Zomers tast de bladluis vooral de bloembasis, jong blad, jonge scheuten en de uiteinden van stengels aan. Doordat de erwtenbladluis zeer kwetsbaar is voor entomofage schimmels, kunnen de meeste uitbraken worden verwacht bij langere perioden van koel en droog weer. De bladluis kan zeer schadelijk zijn en opbrengstverliezen veroorzaken. Het is een belangrijke overbrenger van meer dan 30 virusziekten.