Gele rozenluis Gele rozenluis | Syngenta Nederland

You are here

Gele rozenluis

Gele rozenluis
Rhodobium porosum (Sanderson, 1900)

Gele rozenluis

Algemeen voorkomende en wijdverspreide kleine tot middelgrote soort (1,2-2,7 mm) die waarschijnlijk afkomstig is uit Noord-Amerika en nu ook wordt gevonden in Europa, het Midden-Oosten, Noord- en Oost-Afrika, Australië, India en Zuid-Amerika.

Kenmerken

Het voorhoofd wordt gekenmerkt door zeer grove, goed ontwikkelde voorhoofdsknobbels met ongeveer parallelle binnenranden. De peervormige, ongevleugelde levendbarende vrouwtjes hebben antennen die uit zes leden bestaan en gewoonlijk even lang of soms maximaal 1,1 maal zo lang zijn als het lichaam. Het laatste antennelid is even lang als de sifonen. De sifonen zijn dik, wigvormig met een brede basis en zijn korter dan 1/3 maal de lichaamslengte en tot twee maal zo lang als de cauda. De cauda is tenger, min of meer duidelijk zichtbaar ingesnoerd en gewoonlijk bezet met acht haartjes van verschillende lengte. De kleur van de bladluis is glanzend groen, geelachtig groen of geel, terwijl de kop geelachtig bruin is. Het bruin van de uiteinden van de antenneleden en van de distale einden van poten en sifonen is donkerder dan dat van andere delen. Ongevleugelde en gevleugelde vrouwtjes zijn niet gepigmenteerd op de rug van het achterlijf.

Levenscyclus

De gele rozenluis blijkt voor te komen in twee vormen met verschillen in biologische kenmerken. Bij zachte weersomstandigheden of onder glas komt overwintering als levendbarende vorm algemeen voor. In Noord-Amerika komt overwintering als eitje veel voor, maar in Europa is dat zeer zelden gemeld.

Waardplant (winter en zomer)

Rozen (Rosa spp.) en aardbeisoorten Levenscyclus Holocyclisch en anholocyclisch

Schade

De zuigactiviteit van de gele rozenluis veroorzaakt geen krulling van het blad van de waardplant. In incidentele gevallen kan de gele rozenluis schade veroorzaken aan de waardplant doordat het blad wordt bedekt met honingdauw en vervellingshuidjes en door het overbrengen van non-persistente virussen (aarbeivlekkenvirus en aardbeikrinkelvirus).