You are here

Gewone rozenluis

Gewone rozenluis
Macrosiphum rosae (Linnaeus, 1758)

Gewone rozenluis

Algemene, middelgrote tot vrij grote soort (2,7-4,2 mm) die overal ter wereld voorkomt, behalve in Oost-Azië.

Kenmerken

Het voorhoofd wordt gekenmerkt door grote voorhoofdsknobbels met van elkaar wijkende binnenranden. De langwerpige ovale of peervormige ongevleugelde levendbarende vrouwtjes hebben antennen die uit zes leden bestaan en even lang of maximaal 1,2 maal zo lang zijn als het lichaam. Het laatste antennelid is korter (tot 0,8 maal) dan de sifonen. De sifonen zijn lang, vrij dik, naar buiten gebogen, circa 1/3 maal de lichaamslengte en ongeveer twee maal (1,9-2,4 maal) zo lang als de cauda. Het distale einde van elke sifon heeft een netvormig patroon. De cauda is lang, tenger, gewoonlijk niet ingesnoerd en bezet met 10-14 haartjes. Deze bladluis komt voor in verschillende kleurvormen groen, rood of zelden geel. Kop en sifonen zijn vaak glanzend zwart, de antennen en poten zijn tweekleurig bleek en zwart, terwijl de cauda bleek is. Ongevleugelde vrouwtjes zijn meestal niet gepigmenteerd op de rug van het achterlijf. Gevleugelde vrouwtjes hebben grote zwarte vlekken aan de randen voor en achter de sifonen en kleine vlekken op de rug van het achterlijf.

Levenscyclus

De gewone rozenluis overwintert als eitje op roos. De eitjes komen uit in het voorjaar en ontwikkelen zich tot ongevleugelde vormen (stammoeders). Gevleugelde migranten die in voorjaar/zomer zijn voortgebracht, vliegen naar een secundaire waardplant waar zij zich gedurende de rest van het seizoen parthenogenetisch vermeerderen. In de herfst worden er gevleugelde mannetjes en gynopare individuen voortgebracht. Uit deze laatste komen, na terugkeer op de primaire waardplant, de geslachtelijk voortplantende ovipare vrouwtjes voort. Kolonies kunnen het gehele seizoen worden gevonden op rozen, maar deze bladluizen produceren geen of zeer weinig geslachtsdieren. Bij gunstige weersomstandigheden of onder glas is overwintering als levendbarende vorm mogelijk. Primaire waardplant (winter) Rozen (Rosa spp.) Secundaire waardplant (zomer) Veel kaardebolachtigen (Dipsacaceae) en valeriaanachtigen (Valerianaceae) Levenscyclus Holocyclisch en (soms ook) anholocyclisch het selderijmozaïekvirus.