Groene appeltakluis Groene appeltakluis | Syngenta Nederland

You are here

Groene appeltakluis

Groene appeltakluis
Aphis pomi (de Geer, 1773)

Groene appeltakluis

Kleine tot middelgrote soort (1,2-2,4 mm), algemeen voorkomend en wijdverspreid in Europa, het Midden-Oosten en Noord-Amerika ook bekend uit Noord-Afrika en Nieuw-Zeeland.

Kenmerken

Het voorhoofd is w-vormig. De ovaal gevormde ongevleugelde levendbarende vrouwtjes hebben antennen die uit zes leden bestaan en iets langer zijn dan de helft van het lichaam. Het laatste antennelid is korter dan de sifonen. De sifonen zijn overlappend en wigvormig, maximaal 1/4 maal de lichaamslengte en iets langer dan of maximaal 2,5 maal zo lang als de cauda. De cauda is tong- of vingervormig, ingesnoerd en bezet met gewoonlijk 10-21 haartjes. De lichaamskleur van de appeltakluis is groen, terwijl de kop geel- of bruinachtig is. De basis en distale delen van de antennen en de leden van de poten zijn donker. De sifonen en cauda zijn zwart. Ongevleugelde vrouwtjes zijn niet gepigmenteerd op de rug van het achterlijf, terwijl gevleugelde vrouwtjes worden gekenmerkt door schemerachtige vlekken op de zijkant en achter de sifonen. De groene appeltakluis lijkt veel op Aphis spiraecola (Engels: Spirea aphid). Behalve dat er verschillen zijn in de lengte van de segmenten van de zuigsnuit, heeft deze bladluis gewoonlijk zes paar laterale uitstulpingen op het achterlijf, terwijl A. spiraecola er slechts twee paar heeft.

Levenscyclus

Holocyclisch. De groene appeltakluis overwintert als eitje op verschillende roosachtigen (Rosaceae), waaronder appel (Malus), meidoorn (Crataegus), lijsterbes (Sorbus), peer (Pyrus) en Japanse kwee (Chaenomeles). In de herfst worden er ongevleugelde mannetjes en geslachtelijk voortplantende vrouwtjes voortgebracht. Na de bevruchting zet elk vrouwtje eitjes af op jonge twijgen. Bij voorkeur op de nieuwe scheuten. Deze eitjes worden soms in grote aantallen groepsgewijs bij elkaar afgezet, en daarin verschilt deze soort van andere bladluizen. Vanaf april verschijnen er gevleugelde vormen, die naar andere planten migreren. Op een lichte wind kunnen zij zich kilometers laten meevoeren. De eitjes komen uit na het openspringen van de knoppen en ontwikkelen zich tot stammoeders, waaruit een generatie van ongevleugelde parthenogenetische vrouwtjes ontstaat. In één seizoen kunnen zij wel 15 generaties voortbrengen. De bladluizen vormen vaak compacte kolonies die uit duizenden individuen kunnen bestaan.

Waardplant (winter en zomer)

Veel roosachtigen (Rosaceae).

Schade

De zuigactiviteit van de bladluis veroorzaakt vaak een matige bladrol en krulling van het blad. Bij zware aantasting wordt de groei van de jonge twijgen belemmerd en worden deze vervormd. De schade aan plantmateriaal en zaailingen kan zeer ernstig zijn. Naast de rechtstreekse schade kan er ook de schade door grote hoeveelheden honingdauw optreden. Hierop kunnen zich dan roetdauwschimmels ontwikkelen.