Loodkleurige bladluis Loodkleurige bladluis | Syngenta Nederland

You are here

Loodkleurige bladluis

Loodkleurige bladluis
Lipaphis erysimi (Kaltenbach, 1843)

Loodkleurige bladluis

Kenmerken

Algemeen voorkomende, kleine tot middelgrote soort (1,5-2,3 mm) die waarschijnlijk afkomstig is uit Azië en nu praktisch over de gehele wereld is verspreid.

Het voorhoofd wordt gekenmerkt door lage voorhoofdsknobbels die hoger zijn dan het middengedeelte van het voorhoofd. Ongevleugelde levendbarende vrouwtjes hebben antennen die uit zes leden bestaan en iets langer zijn dan de helft van het lichaam. Het laatste antennelid is ongeveer 0,8 maal zo lang als de sifonen. De sifonen zijn middellang en iets verdikt beneden het distale einde, circa 1/8 maal de lichaamslengte en tot 1,5 maal zo lang als de cauda. De cauda is langwerpig driehoekig en bezet met vier tot zes haartjes. De kleur van deze bladluis is geelachtig groen, vuilgroen of bruin. De sifonen zijn gewoonlijk vrij bleek met donkerder distale einden, terwijl de cauda vrij donker is. Het lichaam heeft een dun laagje wit wasachtig poeder rondom wasvrije vlekken op de rug. Ongevleugelde vrouwtjes hebben bruinachtige maar niet zeer duidelijk zichtbare vlekken aan de rand. Bovendien hebben ze geen gepigmenteerde gebieden in het midden van de rug van het achterlijf. Typerend voor gevleugelde vrouwtjes zijn de donkere dwarsbalken en zwarte vlekken aan de zijkant.

Levenscyclus

De loodkleurige bladluis overwintert als eitje op veel soorten kruisbloemigen (Cruciferae). De eitjes komen uit in het voorjaar en ontwikkelen zich tot ongevleugelde vormen (stammoeders). Ongevleugelde vrouwtjes brengen grote aantallen nakomelingen (50 tot 100) voort, die zich allemaal ontwikkelen tot vrouwtjes. 's Zomers ontwikkelen er zich in bepaalde perioden gevleugelde migranten die naar andere waardplanten vliegen, waar zij zich gedurende de rest van het seizoen parthenogenetisch vermeerderen. Bij gematigde temperaturen en droog weer gaat de reproductie 's zomers door. In het najaar worden er ongevleugelde mannetjes en geslachtelijk voortplantende vrouwtjes voortgebracht. Deze laatste produceren eitjes die aan de bladnerven worden afgezet. Bij zachte weersomstandigheden komt overwintering als levendbarende vorm voor en overheerst deze. Jaarlijks kunnen er in deze regio’s wel 46 generaties optreden. Waardplant (winter en zomer) Veel kruisbloemigen (Cruciferae) waaronder ook veel economisch belangrijke gewassen (bv. kool, broccoli, mosterd, radijs) Levenscyclus Holocyclisch (anholocyclisch met name in Noord-Amerika en in tropen en subtropen)

Schade

Door de zuigactiviteit van de meestal grote bladluiskolonies kunnen de planten vervormd raken en kunnen de bladeren omkrullen, verdorren en vergelen. Bij een zware aantasting wordt zowel de bovenzijde als de onderzijde van het blad aangetast. Bij dichte populaties kunnen de bladgrootte en de opbrengst van kool nadelig worden beïnvloed. De grote hoeveelheid honingdauw die wordt geproduceerd bevordert de ontwikkeling van roetdauwschimmels. Door de honingdauw zien de koolplanten er vuil uit, waardoor de handelswaarde sterk afneemt. De loodkleurige bladluis kan zeer schadelijk zijn en is ook een belangrijke overbrenger van verscheidene non-persistente virussen (zoals het knollenmozaïekvirus en mozaïekvirusziekten van bloemkool, radijs, knollen, boon en biet).