Hulpstoffen en spuittechniek | Syngenta Nederland

You are here

Hulpstoffen en spuittechniek

Spuittechniek
17.11.2021

Ik denk dat de meeste telers het met mij eens zijn dat het schoon houden van het gewas een steeds grotere uitdaging wordt. Als er in het verleden een middel uit de markt wegviel, was er meestal al wel een alternatief voorhanden om dat gat op te vullen. Het huidige pakket aan oplossingen vraagt echter om een hele goede planning, intensief waarnemen en een optimale toepassing. Hulpstoffen kunnen hieraan bijdragen maar kunnen nooit een slechte spuittechniek compenseren. Ze kunnen echter wel een positieve bijdrage leveren bij een bespuiting maar er zijn wel spelregels. 

Het effect van een bespuiting

Ik heb al eens eerder geschreven dat sommige telers wel eens het idee hebben van ‘baat het niet dan schaadt het niet’ bij hulpstoffen. Hulpstoffen kunnen echter de spuitoplossing dusdanig beïnvloeden dat er wel degelijk zaken mis kunnen gaan. Veel hulpstoffen hebben effect op de druppelvorming of de verdeling op het blad. Daarom moet er bij iedere stap van een bespuiting goed nagedacht worden over het effect.

Aanmaken vloeistof: Het kan zijn dat bepaalde hulpstoffen niet mengen met een gewasbeschermingsprodukt. Er kan bijvoorbeeld bezinksel ontstaan waardoor leidingen en doppen verstopt raken. De volgorde van mengen kan hier een grote rol in spelen. Voeg de hulpstof altijd als laatste toe in de tank, dit maakt het risico van uitvlokken kleiner.

Vliegen: Zodra een vloeistof de spuitdop verlaat worden er druppels gevormd. De grote wordt vooral bepaald door het type spuitdop en de druk. Als er veel kleine druppels worden gevormd kunnen deze verdampen voor ze het blad raken of verwaaien (drift). Sommige hulpstoffen (bijvoorbeeld oliën of speciale drift reducerende middelen) kunnen deze effecten beperken zodat het middel werkelijk op het blad komt waar het zijn werk moet doen.

Landen: Tijdens de vlucht veranderd ook de oppervlaktespanning van een druppel. Dit heeft gevolgen bij het raken van het blad. Bij het landen kunnen er namelijk 3 dingen gebeuren met een druppel:

1.De druppel kan van het blad stuiteren

2.De druppel kan uit elkaar spatten en weg stuiteren

3.De druppel kan op het blad blijven liggen (retentie)

Uiteraard willen we de eerste 2 effecten voorkomen en de druppel zo goed mogelijk op het blad houden. Dit kan onder andere door de oppervlaktespanning te verlagen. Producten als Elasto G5 en Assist M36 doen dit zodat er middel op het blad blijft. De zogenaamde superuitvloeiers verlagen de oppervlaktespanning ook zeer sterk maar doen dat zo extreem dat er een risico ontstaat dat de druppels van het blad rollen bij hogere watervolumes. Elasto zorgt voor een goede retentie zonder risico op afollen van de druppels

Verspreiden: Als de druppel dan eenmaal op het blad is geland zal deze zich verspreiden. Door de vettige waslaag van een blad zal een ‘gewone’ waterdruppel als een bolletje op het blad blijven liggen. We willen echter het contactoppervlak zo groot mogelijk maken. Veel hulpstoffen (uitvloeiers) kunnen druppels beter laten uitvloeien zodat deze zich beter verspreiden over het blad. Dit kan echter ook effect hebben op de droogtijd van een druppel. Een druppel die goed is uitgevloeid zal ook sneller opdrogen. Als deze druppel een middel bevat wat moet worden opgenomen in het blad dan zal de opname tijd verkort worden. Bij gebruik van Elasto G5 zal de druppel ook uitvloeien maar ook na drogen blijft de actieve stof langer in oplossing zodat deze langere tijd heeft om opgenomen te worden. Hierdoor kunnen translaminaire middelen dus langer worden opgenomen wat tot een betere effect kan geven.

Opname: Tot slot moeten sommige actieve stoffen worden opgenomen door het blad. De waslaag van een blad is er echter voor gemaakt om sterke verdamping te voorkomen maar ook om water en stofdeeltjes af te stoten. Opname in het blad gaat met name via diffusie door de waslaag. De route die het deeltje volgt is afhankelijk van de oplosbaarheid in water (hydrofiel) of olie (Lipofiel). Verschillende hulpstoffen kunnen deze routes beïnvloeden. Assist M36 past bijvoorbeeld beter bij lipofiele stoffen terwijl Elasto G5 met name de opname van hydrofiele stoffen versterkt.

Hoe kies ik de juiste hulpstof?

Het is dus van belang de eigenschappen van een hulpstof te kennen om een zo goed mogelijk resultaat te behalen. Onze ‘hulpstof zoeker’  kan hierbij ondersteunen. In deze tool kunt u checken welke hulpstof het beste bij een bepaald middel past. In sommige gevallen zal echter ook een aanpassing gedaan moeten worden aan het watervolume of de doppenkeuze om een optimaal resultaat te behalen. Syngenta voert veel onderzoek uit om te snappen hoe middelen optimaal ingezet kunnen worden. Neem gerust contact op als u hier specifieke vragen over heeft, samen kunnen we dan werken naar een optimale controle van ziekten en plagen.