Perenbloedluis Perenbloedluis | Syngenta Nederland

You are here

Perenbloedluis

Perenbloedluis
Eriosoma lanuginosum (Hartig, 1839)

Perenbloedluis

Kenmerken

Algemeen voorkomende en wijdverspreide kleine tot middelgrote soort (2,0-2,7 mm) die waarschijnlijk van palaearctische oorsprong is.

Het voorhoofd is afgerond zonder uitstekende voorhoofdsknobbels. Er zijn geen samengestelde ogen, alleen de voor bladluizen kenmerkende tri-ommatidia zijn aanwezig. De ovale ongevleugelde levendbarende vrouwtjes hebben gewoonlijk antennen die uit zes leden bestaan met een lengte van circa 1/4 maal de lichaamslengte. Het laatste antennelid is zeer kort. De sifonen zijn niet ontwikkeld, zijn nauwelijks zichtbaar en zien eruit als ringachtige poriën op lage kegels. De cauda is boogvormig en bezet met twee tot vier haartjes. De kleur van deze bladluis kan variëren (bleekbruin, roodachtig of geelachtig). Het lichaam is bedekt met witte pluizige was die wordt geproduceerd door een duidelijk gebied met wasklieren. Zowel ongevleugelde als gevleugelde vrouwtjes zijn niet gepigmenteerd op de rug van het achterlijf.

Levenscyclus

De perenbloedluis overwintert als eitje op iep (Ulmus spp.). De eitjes komen laat in het voorjaar uit als het blad van de iep al groen is en ontwikkelen zich tot ongevleugelde vormen (stammoeders). Deze bladluizen veroorzaken grote gallen op de dunne takjes van de waardplant. Deze gallen zijn aanvankelijk lichtgroen en worden later bruin. De gevleugelde vrouwtjes die in juni in de tweede en derde generatie in steeds grotere aantallen worden voortgebracht, migreren naar de peer, waar hun nakomelingen met name de dunne wortels koloniseren. Alleen in vochtige gebieden koloniseert deze soort de voet van de stam. Op secundaire waardplanten ontwikkelen er zich tot zes generaties ongevleugelde vrouwtjes. In de herfst worden er gevleugelde mannetjes en gynopare individuen voortgebracht. Uit deze laatste komen de geslachtelijk voortplantende vrouwtjes voort, die één eitje leggen in holten van de bast van de iep. Er is gemeld dat deze bladluis incidenteel de gehele winter op de wortels van de peer aanwezig blijft. Primaire waardplant (winter) Iep (Ulmus spp.) Secundaire waardplant (zomer) Soorten appelachtigen Pomaceae (peer (Pyrus), kweepeer (Cydonia)) Levenscyclus Holocyclisch (soms ook anholocyclisch)

Schade

De zuigactiviteit van deze bladluis leidt op de iep tot opmerkelijk gallen, zo groot als walnoten of appels. Op peer veroorzaakt deze bladluis geen gallen of kankerplekken, maar de bomen kunnen lijden van de schade aan de wortels en daardoor afsterven. Aangetaste bomen boeten in aan groeikracht en worden vaak aangetast door schimmels. Jonge planten zijn bijzonder kwetsbaar.