You are here

Roos-grasluis

Roos-grasluis
Metopolophium dirhodum (Walker, 1849)

Roos-grasluis

Kenmerken

Algemeen voorkomende, middelgrote soort (1,6-3,0 mm) die wijd verspreid is in Europa, het Midden-Oosten, Centraal-Azië, Afrika, Noord- en Zuid-Amerika.

Het voorhoofd wordt gekenmerkt door vrij lage voorhoofdsknobbels met afgeronde en van elkaar wijkende binnenranden en een middenknobbel, die lager is dan de buitenste knobbels. De langwerpige spilvormige ongevleugelde levendbarende vrouwtjes hebben antennen die uit zes leden bestaan en - op de roos – iets langer zijn dan de helft van het lichaam. Het laatste antennelid is een iets langer dan de sifonen. De sifonen zijn lang en cilindrisch, circa 1/5-1/7 maal de lichaamslengte en tot 1,7 maal zo lang als de cauda. De cauda is langwerpig, driehoekig, stomp en bezet met 9-13 haartjes. De kleur van deze bladluis op de roos is groen, en vorm bevat de rug een donkerder langwerpige streep. Op grassen is het lichaam iets bleker (bleekgroen of geelachtig groen) met een helderdere groene rugstreep. Deze bladluizen zijn slanker, hebben beter ontwikkelde voorhoofdsknobbels en relatief langere antennen. Alleen de uiteinden van de antenneleden van de ongevleugelde vrouwtjes zijn donker terwijl de sifonen gewoonlijk bleek zijn. Ongevleugelde en gevleugelde vrouwtjes zijn niet gepigmenteerd op de rug van het achterlijf.

Levenscyclus

De roos-grasluis overwintert als eitje op wilde en geteelde rozen. De eitjes komen uit in het voorjaar en ontwikkelen zich tot ongevleugelde vormen (stammoeders) die zich graag op scheuten en jong blad vestigen. Op rozen worden de gevleugelde migranten in de tweede en derde generatie voortgebracht. Deze vliegen over naar een secundaire waardplant waar zij zich gedurende de rest van het seizoen parthenogenetisch vermeerderen. Deze soort heeft een voorkeur voor waardplanten die op vochtige plaatsen staan. In de herfst worden er gevleugelde mannetjes en gynopare individuen voortgebracht. Uit deze laatste komen, na terugkeer op de primaire waardplant, de geslachtelijk voortplantende ovipare vrouwtjes voort. Bij zachte weersomstandigheden is overwintering als levendbarende vorm mogelijk. Primaire waardplant (winter) Rozensoorten Secundaire waardplant (zomer) Verschillende soorten grasachtigen (Gramineae) Levenscyclus Holocyclisch (soms ook anholocyclisch)

Schade

De zuigactiviteit van de roos-grasluis leidt tot krulling van het blad van de primaire waardplant en tot belemmering van de bloemontwikkeling. Wanneer deze bladluis in grote aantallen aanwezig is, kan schade worden toegebracht aan de secundaire waardplanten. Enkele jaren was het de meest voorkomende soort met het grootste aantal luizen in maïs. Ondanks dat er is gemeld dat deze bladluis bij het zuigen geen toxine in de plant injecteert, kan hij een ernstige verkleuring van het blad van de maïs veroorzaken. De roos-grasluis kan het maïsmozaïekvirus en het gerstevergelingsvirus overbrengen.