You are here

Roze appelluis

Roze appelluis
Dysaphis (Pomaphis) plantaginea (Passerini, 1860)

Roze appelluis

Kenmerken

Wijdverspreid, algemeen voorkomende middelgrote soort (1,4-3,1 mm) van Europese oorsprong.

Het voorhoofd is w-vormig met zwak ontwikkelde middenknobbel en voorhoofdsknobbels. De kogelvormige, ongevleugelde levendbarende vrouwtjes hebben antennen die uit zes leden bestaan en iets korter zijn (0,8-0,9 maal) dan het lichaam. Het laatste antennelid is tot 1,5 maal zo lang als een sifonen. De sifonen zijn subcilindrisch, korter dan 1/4 van het lichaam en tot drie maal zo lang als de cauda.

Levenscyclus

De roze appelluis overwintert als eitje op appel en in warmere klimaatzones soms ook wel op peer of kweepeer. De eitjes komen uit in het voorjaar bij het zwellen van de knoppen. Ze ontwikkelen zich tot ongevleugelde vrouwtjes (stammoeders) die circa 70 nakomelingen voortbrengen. De roze appelluis kan zich in een grote dichtheid afzetten op de onderzijde van het blad en op jonge twijgen van de primaire waardplant. Ongevleugelde vrouwtjes kunnen zich door de wind van boom tot boom laten meevoeren. Op de primaire waardplant worden tot zes generaties voortgebracht. Gevleugelde migranten die in voorjaar/zomer zijn voortgebracht, vliegen over naar weegbree, waar zij zich gedurende de rest van het seizoen parthenogenetisch voortplanten. Vanaf eind september tot november remigreren gevleugelde mannetjes en gynopare individuen naar appel. Uit deze laatste komen geslachtelijk voortplantende ovipare vrouwtjes voort die eitjes afzetten aan de basis van knoppen of in spleten van de bast. Aangenomen wordt dat deze soort bij zachte weersomstandigheden als levendbarende vorm overwintert. Primaire waardplant (winter) Gewoonlijk appel Secundaire waardplant (zomer) Kruidachtige planten, weegbreesoorten (Plantago spp.) Levenscyclus Holocyclisch.

Schade

De zuigactiviteit van de roze appelluis veroorzaakt een krulling en soms ook vroegtijdige afval van het blad. Jonge twijgen worden vervormd en de natuurlijke vruchtval wordt belemmerd, waardoor er veel kleine vervormde appels ontstaan. Wanneer de bladluizen worden bestreden voordat ze het formaat van een walnootvrucht hebben, treedt er geen vervorming van de vruchten op. Naast de rechtstreekse schade kan de productie van grote hoeveelheden honingdauw op bladeren en vruchten leiden tot de ontwikkeling van roetdauwschimmels.