Vogelkersluis Vogelkersluis | Syngenta Nederland

You are here

Vogelkersluis

Vogelkersluis
Rhopalosiphum padi (Linneaus, 1758)

Vogelkersluis

Kenmerken

Kleine tot middelgrote soort ('s zomers 1,1-2,6 mm) die algemeen voorkomt, praktisch over de gehele wereld is verspreid en waarschijnlijk van palaearctische oorsprong is.

Het voorhoofd wordt gekenmerkt door zwak ontwikkelde voorhoofdsknobbels (w-vormig) . De vrij brede eivormige ongevleugelde levendbarende vrouwtjes hebben antennen die uit zes leden bestaan en ongeveer de helft van de lichaamslengte hebben. Het laatste antennelid is 1,5 maal zo lang als de sifonen. De sifonen zijn vrij kort, bijna cilindrisch, iets gezwollen, gevolgd door een duidelijk zichtbare vernauwing beneden het distale einde, circa 1/8 maal de lichaamslengte en bijna twee maal zo lang als de cauda. De cauda is tongvormig en bezet met vier of vijf haartjes. De kleur van deze vrij sterk glanzende bladluis op secundaire waardplanten is vuil-groenachtig of bruinachtig met een roodachtige tint om de basis van de sifonen. De gelijkmatig gepigmenteerde sifonen zijn bruin. Het lichaam is licht bedekt met een wasachtig poeder. Ongevleugelde vrouwtjes zijn meestal niet gepigmenteerd op de rug van het achterlijf, terwijl gevleugelde vrouwtjes donkere vlekken aan de rand hebben.

Levenscyclus

De vogelkersluis overwintert als eitje op vogelkers en wordt in het najaar soms ook op andere prunussoorten gevonden. De eitjes komen uit in het voorjaar en ontwikkelen zich tot ongevleugelde vormen (stammoeders). In de tweede generatie worden er grote hoeveelheden gevleugelde migranten voortgebracht die naar secundaire waardplanten vliegen. Op maïs koloniseren zij eerst de ruimte tussen stengel en bladbasis, onder het vlies van de maïs of de onderzijde van het blad. Na de bloei tasten bladluizen de pluimen, de bovenste bladeren en de aren aan. In het algemeen heeft deze soort de neiging om de onderste delen van de waardplant te koloniseren, d.w.z. die delen van de waardplant waar meestal de temperatuur lager en de vochtigheid hoger is. Zelden koloniseert de bladluis zijn primaire waardplant vroeg in de zomer. In de herfst worden er gevleugelde mannetjes en gynopare individuen voortgebracht. Uit deze laatste komen de geslachtelijk voortplantende vrouwtjes voort. Deze zetten de wintereitjes af aan de basis van knoppen en op jonge twijgen en, bij een zware aantasting, in spleten in de bast van de stam. Bij zachte weersomstandigheden of wanneer er geen prunussoorten aanwezig zijn, is overwintering als levendbarende vorm mogelijk. Primaire waardplant (winter) gewoonlijk vogelkers (Prunus padus) Secundaire waardplant (zomer) Verscheidene grasachtigen (Gramineae), met inbegrip van granen, bloembiesachtigen (Juncaceae) en cypergrassen (Cyperaceae) Levenscyclus Holocyclisch en anholocyclisch

Schade

De zuigactiviteit van de vogelkersluis veroorzaakt een ernstige krulling in de lengterichting van het blad van de primaire waardplant, waardoor kolonies zich in een open gal aan de onderzijde van het blad bevinden. Op secundaire waardplanten wordt het blad gekoloniseerd, met name de schede van de lager geplaatste bladeren. Door de zuigactiviteit rollen de bladeren op en vormen zij een spiraal. De bladluis kan zeer schadelijk zijn door de overbrenging van zowel persistente virussen (bv. specifieke stammen van het gerstevergelingsvirus) en verscheidene non-persistente virussen.