Wollige slawortelluis Wollige slawortelluis | Syngenta Nederland

You are here

Wollige slawortelluis

Wollige slawortelluis
Pemphigus bursarius (Linnaeus, 1758)

Wollige slawortelluis

Kenmerken

Algemeen voorkomende kleine tot middelgrote soort (1,5-2,7 mm) die wijdverspreid is in geheel Europa, het Midden-Oosten, Centraal-Azië, Noord- en Zuid-Afrika, Noord- en Zuid-Amerika en Australië. Het voorhoofd is afgerond, zonder voorhoofdsknobbels aan de basis van de antennen. De langwerpige ovale ongevleugelde levendbarende vrouwtjes op secundaire waardplanten hebben antennen die uit zes leden bestaan en circa 1/5 maal de lichaamslengte meten. Het laatste antennelid is zeer kort. Er zijn geen sifoonporiën aanwezig. De kleur van deze bladluis op secundaire waardplanten is wit, terwijl de kop, antennen en poten donkerder zijn. De bladluis heeft een wit dotje was aan de achterzijde van het achterlijf, dat wordt geproduceerd door wasklieren. Ongevleugelde en gevleugelde vrouwtjes zijn meestal niet gepigmenteerd op de rug van het achterlijf. Zij leven op de wortels van de waardplant.

Levenscyclus

De wollige slawortelluis overwintert als eitje op populier. De eitjes komen uit in het voorjaar en ontwikkelen zich tot ongevleugelde vormen (stammoeders) die karakteristieke gallen veroorzaken. Gevleugelde migranten worden vroeg in de tweede generatie op populier voortgebracht. Zij vliegen over naar secundaire waardplanten waar zij nakomelingen krijgen. Deze koloniseren de wortels en vermeerderen zich gedurende de rest van het seizoen parthenogenetisch. In de herfst worden er gevleugelde mannetjes en gynopare individuen voortgebracht. Uit deze laatste komen, na terugkeer op de populier, de geslachtelijk voortplantende vrouwtjes voort. Na te zijn bevrucht, leggen deze de eitjes in spleten van de bast. Bij zachte weersomstandigheden komt overwintering als levendbarende vorm algemeen voor. De soort is bestand tegen koude weersomstandigheden en kan temperaturen onder nul overleven. Primaire waardplant (winter) Zwarte populier (Populus nigra) Secundaire waardplant (zomer) Gewoonlijk samengesteldbloemigen (Compositae), waaronder ook economisch belangrijke gewassen (sla (Lactuca) en witlof (Cichorium)) Levenscyclus Holocyclisch (soms ook anholocyclisch)

Schade

De zuigactiviteit van de wollige slawortelluis veroorzaakt galvorming aan de bladstengels van de primaire waardplant. Deze gallen zijn beursvormig en hebben in rijpe toestand een geelachtige of roodachtige kleur. Van de secundaire waardplanten worden hoofdzakelijk de wortels gekoloniseerd. Wanneer de bladluis op de wortels aanwezig is, is dat meestal te zien door de aanwezigheid van een witte poederachtige was. De groei van de sla neemt af, het blad wordt geel en de plant kan verwelken en afsterven. De kroppen blijven zacht, ontwikkelen zich niet goed en de opbrengsten lopen terug. De zaadproductie neemt drastisch af. Bij een ernstige bladluisbesmetting gedurende een vrij lange periode kunnen de planten bezwijken en afsterven. Individuele haarwortels verkleuren bruin en sterven af. De bladluis kan zeer schadelijk zijn en brengt mogelijk het sla-bobbelbladvirus over. De kans op aantasting door de wollige slawortelluis neemt toe wanneer de sla is gepoot in de nabijheid van populieren.