Zwarte bonenluis Zwarte bonenluis | Syngenta Nederland

You are here

Zwarte bonenluis

Zwarte bonenluis
Aphis fabae (Scopoli, 1763)

Zwarte bonenluis

Kenmerken

Algemeen voorkomende, gewoonlijk middelgrote soort (1,2-3,1 mm) die wijdverspreid is in de gematigde zones van het noordelijk halfrond.

Het voorhoofd is sigmoëdaal of w-vormig. De eivormige ongevleugelde levendbarende vrouwtjes hebben antennen die uit zes leden bestaan en korter zijn (0,5-0,8 maal) dan het lichaam. Het laatste antennelid is iets langer dan de sifonen. De sifonen zijn overlappend en wigvormig, korter dan 1/5 van het lichaam en 0,7-1,9 maal zo lang als de cauda. De cauda is tongvormig, niet ingesnoerd en zeer vaak bezet met meer dan 11 (tot 27) haartjes. De kleur van de bladluis is dofzwart tot donkergroen. Volwassen ongevleugelde vrouwtjes hebben incidenteel wasachtige strepen op de rug, terwijl witte strepen kenmerkend zijn voor gevleugelde nimfen. De distale delen van antenneleden en poten zijn donker, de sifonen en de cauda zijn zwart. Ongevleugelde vrouwtjes zijn gewoonlijk gepigmenteerd met kleine dwarsbalken op de rug van het achterlijf, terwijl goed ontwikkelde dwarsbalken kenmerkend zijn voor gevleugelde vrouwtjes.

Levenscyclus

De zwarte bonenluis overwintert als eitje op kardinaalsmuts en afhankelijk van het tijdstip van de bladval ook op Gelderse roos of jasmijn. De eitjes komen uit in het voorjaar en ontwikkelen zich tot ongevleugelde vormen (stammoeders). In maart-april brengen deze stammoeders ongevleugelde vrouwtjes voort, waarvan het nageslacht een toenemend aandeel gevleugelde vrouwtjes bevat. Vanaf mei koloniseren ongeslachtelijk voortplantende gevleugelde vrouwtjes talrijke secundaire waardplanten, waarbij zij larven afzetten aan de onderzijde van het blad of aan het uiteinde van de stelen. Tot half juni nemen de bladluiskolonies snel toe in omvang en aantal. Daarna nemen zij onder invloed van oplopende temperaturen, een afnemende kwaliteit van de waardplanten en het optreden van natuurlijke vijanden steeds meer af. In de herfst komen er twee typen migranten tot stand: gevleugelde mannetjes en gynopare individuen. Uit deze laatste komen, na terugkeer op de primaire waardplant, de geslachtelijk voortplantende ovipare vrouwtjes voort. In het voorjaar worden er op de kardinaalsmuts een aantal generaties voortgebracht alvorens er gevleugelde vrouwtjes naar secundaire waardplanten migreren. Bij gematigde temperaturen, rustige omstandigheden en een kleine hoeveelheid regen zijn zware initiële aantastingen van secundaire waardplanten mogelijk, waarbij het aantal bladluizen snel toeneemt. Migratie is geen absolute noodzaak; in incidentele gevallen kan de bladluis het gehele jaar op de kardinaalsmuts leven. Bij zachte weersomstandigheden is overwintering als levendbarende vorm mogelijk. Primaire waardplant (winter) Kardinaalsmuts (Euonymus europea) of incidenteel Gelderse roos (Viburnum opulus) en jasmijn (Philadelphus) Secundaire waardplant (zomer) Zeer veel planten, waaronder veel economisch belangrijke gewassen Levenscyclus Holocyclisch (soms ook anholocyclisch)

Schade

De zuigactiviteit veroorzaakt een ernstige krulling van het blad van de primaire waardplant. Bij secundaire waardplanten vindt voornamelijk kolonisatie van blad en bloemen plaats. De bladluis kan zeer schadelijk zijn, waarbij het toxische speeksel zorgt dat de bladeren opzwellen, oprollen en met hun ontwikkeling stoppen en de bloemen wegkwijnen. De plant produceert ook minder zaad, terwijl op de honingdauw roetdauwschimmels tot ontwikkeling komen. De zwarte bonenluis is een belangrijke overbrenger van zowel persistente (bv.(beet yellow net virus) aardappelbladrolvirus) en non-persistente virussen (bv. van erwt en boon, biet, kruisbloemigen, komkommerachtigen en aardappel).