Hopluis Hopluis | Syngenta Nederland

You are here

Hopluis

Hopluis
Phorodon humuli (Schrank, 1801)

Hopluis

Wijdverspreide kleine tot middelgrote soort (op prunus 2,0-3,0 mm, op hop 1,0-2,1 mm) die algemeen voorkomt in Europa, Zuidwest-, Oost- en Centraal-Azië, Ethiopië en Noord-Amerika.

Kenmerken

Het voorhoofd wordt gekenmerkt door grote vingervormige uitsteeksels aan de binnenkant van de goed ontwikkelde voorhoofdsknobbels. De langwerpige ovale ongevleugelde levendbarende vrouwtjes hebben antennen die uit zes leden bestaan en maximaal 0,7 maal de lichaamslengte hebben. Het laatste antennelid is duidelijk korter dan de sifonen. De sifonen zijn lang en tenger, korter dan 1/3 maal de lichaamslengte en tot 3,2 maal zo lang als de cauda. De cauda is langwerpig driehoekig en meestal bezet met zes haartjes. De kleur van deze bladluis op hop is lichtgroen met een groene middenstreep en korte groene dwarsstrepen op de rug, die soms eerder witachtig zijn. Ongevleugelde vrouwtjes zijn niet gepigmenteerd op de rug van het achterlijf, terwijl gevleugelde vrouwtjes op het midden een zwarte vlek hebben.

Levenscyclus

De hopluis overwintert als eitje op verschillende prunussoorten. De eitjes komen uit in het voorjaar en ontwikkelen zich tot ongevleugelde vormen (stammoeders) wanneer de prunus in bloei staat. De nakomelingen hiervan zijn ongevleugelde en de eerste gevleugelde migranten. Vanaf de derde generatie komen er meer gevleugelde vrouwtjes doordat de voedselkwaliteit terugloopt. Gevleugelde migranten vliegen naar hopplanten, waar zij zich gedurende de rest van het seizoen parthenogenetisch vermeerderen. De soort kan de primaire waardplant gedurende het gehele seizoen koloniseren, maar brengen in deze kolonies geen mannetjes voort. In de herfst worden er op hop gevleugelde mannetjes en gynopare individuen voortgebracht. Uit deze laatste komen, na terugkeer op de primaire waardplant, de geslachtelijk voortplantende vrouwtjes voort, die hun eitjes leggen in beschutte gebieden aan de basis van de knoppen. Er is geen overwintering als levendbarende vorm gemeld. Primaire waardplant (winter) Prunussoorten Secundaire waardplant (zomer) Hop (Humulus lupulus) Levenscyclus Holocyclisch

Schade

De zuigactiviteit van deze bladluis veroorzaakt slechts een lichte krulling van het blad van de primaire waardplant. Bij de secundaire waardplant worden voornamelijk de jonge en geelgroene bladeren gekoloniseerd. Aangetast blad vergeelt, wordt broos, krult om naar beneden en verwelkt soms volledig. Tijdens de groei van de plant zijn de bladluizen vooral te vinden aan de basis van de bladstengels en op de bovenste delen van de bloemen, die later bruin worden en verschrompelen. Grote hoeveelheden honingdauw kunnen een glanzende, kleverige laag op de bovenzijde van het blad vormen, waardoor de ontwikkeling van roetdauwschimmels wordt bevorderd en de fotosynthese wordt belemmerd. De kolonisatie van bloemen en vruchten van de hop gaat ten koste van de hoeveelheid en kwaliteit van het product dat voor het brouwen kan worden gebruikt, waardoor de economische waarde ervan flink terugloopt. De bladluis kan zeer schadelijk zijn op hop en is een belangrijke overbrenger van hopvirussen en het pruimensharkavirus alsmede van verscheidene non-persistente virussen van planten die niet tot de waardplanten behoren (zoals het aardappelvirus Y).