You are here

Katoenluis

Katoenluis
Aphis gossypii

Katoenluis

Algemeen en wereldwijd voorkomende luis, met een voorkeur voor warmere gebieden.

Kenmerken

De lichaamskleur van de ongevleugelde exemplaren verschilt sterk – van lichtgeel (citroengeel) tot licht- of zelfs zwartgroen – en is afhankelijk van de temperatuur, het voedsel en de populatiedichtheid. De katoenluis is een ronde luis van 0,9 – 1,8 mm groot. De grotere exemplaren zijn meestal donkergroen tot zwartgroen en de kleinere vaak geel tot crèmekleurig. De ogen van deze luizensoort zijn rood. De soort heeft gen voorhoofdknobbels en de antennen zijn vrij kort: 0,7 x de lichaamslengte. De katoenluis onderscheidt zich van andere in Nederland voorkomende bladluizen door de kleur van de sifonen (de twee uitsteeksels op het achterlijf). Ongeacht de lichaamskleur zijn deze bij de katoenluis altijd zwart. Overigens zijn de sifonen kort (0,2 x de lichaamslengte) en enigszins toelopend. De cauda is kort, licht van kleur en tongvormig met 4 – 7 haren. De luis heeft korte poten. De gevleugelde exemplaren zijn 1,1 – 1,8 mm groot. De kop en het borststuk zijn zwart van kleur; het achterlijf is daarentegen geel- tot donkergroen.

Levenscyclus

De katoenluis wisselt in Europa niet van waardplant, maar is wel polyfaag. Afhankelijk van de waardplant kan de populatieopbouw bij een voor de luizen optimale temperatuur bijzonder snel gaan. Een vrouwtje kan 3 – 10 jonge luizen per dag produceren en de ontwikkeling van nimfen op komkommer is circa 6 dagen bij 28 graden celsius en ongeveer 10 dagen bij 16 graden.

Schade

De katoenluis veroorzaakt in veel gewassen schade. Vooral planten die lid zijn van de kaasjeskruidfamilie (o.a. katoen) en van de komkommerfamilie en leliefamilie hebben zijn voorkeur. Deze luizensoort kan meer dan 50 verschillende virussen overbrengen, waaronder het komkommermozaïekvirus. Verder veroorzaakt de katoenluis schade door onttrekking van plantensap, het afscheiden van honingdauw en in inbrengen van toxische stoffen. We vinden de katoenluis meestal aan de onderkant van jonge bladeren en jonge scheuten.