Melige koolluis Melige koolluis | Syngenta Nederland

You are here

Melige koolluis

Melige koolluis
Melige koolluis

Melige koolluis

Kenmerken

Het voorhoofd wordt gekenmerkt door lage, afgeronde voorhoofdsknobbels en een middenknobbel. Ongevleugelde levendbarende vrouwtjes hebben antennen die uit zes leden bestaan en iets langer zijn dan de helft van de lichaamslengte. Het laatste antennelid is meer dan 1,5 maal zo lang als de sifonen. De sifonen zijn zeer kort, dik en iets gezwollen, korter dan 1/10 maal de lichaamslengte en gewoonlijk korter dan de cauda. De cauda is kort, driehoekig, breed en bezet met zeven of acht haartjes. De kleur van deze bladluis is grijsachtig groen of dofgroen. Kop, uiteinden van antennen, poten, sifonen en cauda zijn donker. In het veld zijn deze bladluizen grijs, wat komt door het wasachtige poeder dat het lichaam bedekt. De rug van het achterlijf van ongevleugelde vrouwtjes is gewoonlijk gepigmenteerd met donkere vlekken en twee dwarsbalken achter de sifonen. Kenmerkend voor de gevleugelde vrouwtjes zijn de dwarsbalken en vlekken aan de zijkant.

 

Levenscyclus

De melige koolluis overwintert als eitje op kruisbloemigen. De eitjes worden afgezet aan de onderzijde van bladeren en stengels. Ze komen zeer vroeg in het voorjaar uit en ontwikkelen zich dan tot ongevleugelde vormen (stammoeders) die dichte kolonies voortbrengen. Deze tasten stap voor stap de bladeren in het hart van de planten en vervolgens de bloemstengel aan. Eind mei, wanneer de zaadhulzen worden gevormd, is het aantal bladluizen het grootst. Wanneer de populatie op haar hoogtepunt is, ontwikkelen zich gevleugelde individuen die dan de aantasting naar nieuwe planten verspreiden. In de herfst worden er gevleugelde mannetjes en geslachtelijk voortplantende ovipare vrouwtjes voortgebracht. Bij zachte weersomstandigheden vindt overwintering als levendbarende vorm plaats. Bij het oplopen van de temperatuur komen er uit de levendbarende vrouwtjes vaak gevleugelde vrouwtjes voort, die vroege aantastingen kunnen veroorzaken. De soort wisselt niet van waardplant en verblijft gedurende de gehele levenscyclus op kruisbloemige planten. Bij de melige koolluis wordt de zuigactiviteit opgewekt door de mosterdolie sinigrine. Waardplant (winter en zomer) Veel kruisbloemigen (Cruciferae) waaronder ook veel economisch belangrijke gewassen (bv. koolsoorten, bloemkool) Levenscyclus Holocyclisch (soms ook anholocyclisch)

 

Schade

De zuigactiviteit van de melige koolluis leidt tot de vervorming van bloemstelen en tot verkleuring en afvallen van bloemen. De melige koolluis tast gewoonlijk geen zaailingen aan, maar breidt zich uit na uitdunnen of verpoten. Grote kolonies kunnen kleine planten klein houden of laten afsterven. Het grootste probleem is echter dat het geoogste gewas met bladluizen wordt besmet. Bij dichte kolonies krult het blad vaak om, waardoor de bladluis tegen insecticiden wordt beschermd. Bij zeer sterke aantasting kunnen de planten volledig zijn bedekt door bladluizen, honingdauw en vervellingshuidjes. Aangetaste kool of koolzaad groeit slecht en verwelkt. Door de koolluis worden zo’n 20 virussen overgebracht, zowel persistente als non-persistente, waaronder het knollenmozaäekvirus, het bloemkoolmozaïekvirus en het slavergelingsvirus.