Aaltjesbestrijding in aardappelteelt: “Een zoektocht, maar we zijn goed onderweg!”
Nu het middelenpakket inkrimpt, draait aaltjesbeheersing niet meer om een enkelvoudige chemische ingreep, maar om wat er in de bodem gebeurt. Midden in het groeiseizoen was de druk van het aardappelcysteaaltje dit jaar fors. Door de wisselende weersomstandigheden dit jaar verliep de gewasontwikkeling wat aan de trage kant, wat de planten extra kwetsbaar maakte.
Testen van aaltjesbestrijding op zand en klei
In samenwerking met onderzoeksbureau HLB test Syngenta op dertien praktijkpercelen een tweeledig biologisch systeem, gecombineerd met resistente rassen. Waar elf zetmeeltelers op de zandgronden in Groningen en Drenthe te maken hebben met veel variatie in aaltjessoorten, ligt de focus voor de twee pootaardappeltelers in Flevoland anders. Op hun kleigronden is het aantal soorten weliswaar beperkter, maar de dwingende wettelijke nul-eis voor pootgoed maakt dat elke tolerantie ontbreekt.
De geteste aanpak van Syngenta grijpt op drie fronten [JW1.1][MG1.2]in. Tijdens het poten is een biostimulant meegegeven die het wortelsysteem versterkt, een biologisch product ingezet om de bodemweerbaarheid te ondersteunen en in beperkte mate chemie gebruikt om de plaagdruk te beheersen. “Het gaat in de aardappelteelt om een relatief klein aantal soorten, maar die kunnen een groot effect hebben op opbrengst en kwaliteit,” legt Marnix Gijlers, Crop Advisor bij Syngenta, uit. “De kunst zit in het tijdig ondersteunen van de plant zodat de schadedrempel niet wordt overschreden.”
Syngenta ziet veelbelovende eerste resultaten
De eerste observaties laten zien dat de biologische combinatie op percelen met een lage tot matige besmetting uitstekend standhoudt. Bij een extreem hoge druk blijft chemie vooralsnog effectiever. Gijlers benadrukt: “Wie weet wat er in de bodem speelt, staat sterker in het teeltsysteem en kan schade beter beheersen.” De grote uitdaging wordt nu het exact definiëren van de drempelwaarde waar biologie de regie kan overnemen.
Inmiddels zijn de veldbijeenkomsten met HLB achter de rug. Hierbij werden de proefstroken visueel beoordeeld. Na de aardappeloogst in het najaar worden de waarnemingen gecombineerd met gegevens uit de bodembemonsteringen, opbrengstmetingen en drone-satellietbeelden. Deze brede set aan praktijkdata moet eind 2026 de basis vormen voor de eerste onderbouwde conclusies.