Alternaria dauci | Syngenta Nederland

You are here

Website banner

Alternaria dauci

(Anamorfe Fungi)

 

[Loofbrand]

Inleiding

Dit is één van de belangrijkste via zaden overgedragen plantenziekten. Hij komt vaak voor in wortelen en veroorzaakt in conventionele en biologische gewassen grote problemen bij natte weersomstandigheden, die een epidemische ontwikkeling in de hand werken.

 

Geografische verspreiding

Loofverbruining is een belangrijke ziekte in de wereldwijde wortelteelt. In koelere streken kan de schade beperkt blijven wanneer uitbraken zich pas laat in het seizoen voordoen.

 

Symptomen en diagnose

De eerste symptomen zijn moeilijk op te merken, aangezien ze vaak optreden op jonge planten op het moment dat de eerste bladeren beginnen af te sterven. Incidenteel vertonen opkomende zaailingen tekenen van infectie en treedt er enig verlies op van zaailingen met ‘witte pluis’-symptomen. Langs de randen van het blad ontstaan hoekige waterige of bruine vlekken. Soms vormt zich rond de laesies een gele rand. De laesies nemen toe in omvang en aantal, leidend tot necrose van een deel van het blad en vervolgens afsterven van het gehele blad. Vrij grote donkere laesies ontwikkelen zich op de bladstelen en kunnen leiden tot afsterven van het blad. Bij een epidemie worden er opvallende plekken met bruine, gele en dode bladeren in het gewas zichtbaar, die uiteindelijk naar elkaar toegroeien tot het hele gewas is aangetast. Het is belangrijk om de jongere groene bladeren te controleren op de kenmerkende kleine bruine laesies, aangezien een algemene verbruining van het gewas andere oorzaken kan hebben. De diagnose dient te worden bevestigd door microscopisch onderzoek van de laesies op sporen, aangezien vrijwel identieke symptomen kunnen worden veroorzaakt door Cercospora (Cercospora carotae). De wortels worden doorgaans niet aangetast. In zaaigewassen breiden symptomen zich uit naar het bovenste deel van de plant en worden bloemen en zaden aangetast.

 

Voorwaarden voor ziekteontwikkeling

Besmet zaad is vaak de belangrijkste bron van verspreiding. Bij zaaigoed is soms meer dan 50% van de zaden besmet. De ziekte wordt verspreid via sporen op het zaadoppervlak en als mycelium in het zaadomhulsel. Hij wordt tevens overgedragen via gewasresten in de bodem. In het groeiseizoen is verspreiding tussen gewassen mogelijk via door de lucht overgedragen sporen. Sporen hebben een nat oppervlak nodig om te kunnen kiemen en kunnen bij een temperatuur van 16-25 °C binnen 12 uur het blad infecteren. De ziekte ontwikkelt zich echter pas echt goed bij een bladnatperiode van enkele dagen bij lage temperaturen (<10 °C). Bij temperaturen van >20 °C volstaat een periode van 5 tot 10 uur. De ziektecyclus duurt slechts 8-10 dagen en bij warm, nat weer kunnen epidemieën zich snel ontwikkelen.

 

Impact en belang

Bladverlies in het groeiseizoen verlaagt de opbrengst. Verliezen kunnen verder oplopen als wortels niet met een klembandrooier kunnen worden geoogst. Problemen in één partij zaaigoed kunnen leiden tot problemen in andere wortelgewassen als er in het groeiseizoen verspreiding naar andere gewassen plaatsvindt. Er zijn fungiciden voor bladtoepassing die kunnen worden gebruikt voor bestrijding van deze ziekte, maar daarbij is een programma-aanpak met diverse actieve stoffen vereist. Problemen met resistentie tegen fungiciden zijn een bron van zorg. 

Bestrijding zaadgebonden van Alternaria dauci door testen van zaden en de toepassing van zaadbehandelingen zou voor worteltelers direct resultaten moeten opleveren.

Apron® XL