Fruitteelt, Mijten

Op vruchtbomen, bessestruiken, bramen en frambozen kan een groot aantal soorten mijten voorkomen. De meeste van deze soorten veroorzaken geen schade. Sommige soorten zijn zelfs nuttig, terwijl van een aantal andere soorten niet vaststaat of zij nuttig of schadelijk zijn. De belangrijkste twee groepen schadelijke mijten die op vruchtbomen voorkomen zijn de spintmijten (Tetranychidae) en de galmijten (Eriophyoidea).

Standaardafbeelding

Aardbeienmijten

Deze mijt heeft na de tweede wereldoorlog voor grote onrust gezorgd. De enige remedie was selectie. Vooral door het plegen van meerjarige teelten, tot 8 jaar toe, kon een kleine populatie zich uitbouwen tot een ware plaag. Door het terugdraaien van de meerjarige teelt naar een eenjarige teelt en het telen van het vermeerderingsmateriaal op speciale bedrijven, is deze mijt grotendeels teruggedrongen in Nederland. Het jonge blad wordt bronskleurig en later gespikkeld bruin. Het hart blijft zitten, zodat een bossige plant ontstaat. Met een goede loep zijn de mijten als witte, soms doorzichtige puntjes terug te vinden in het nog jonge dichtgevouwen blad. De eitjes worden afgezet in de nog gevouwen blaadjes, die in het hart van de plant aanwezig zijn. Het afzetten van de eitjes gebeurt in lange rijen langs de nerven. De larven die te voorschijn komen, zijn doorzichtig en zijn gebonden aan de plaats waar ze zijn afgezet. In het najaar verdwijnen de volwassen vrouwtjes naar beschutte plaatsen in het hart van de plant. Bij het oplopen van de temperatuur, zoekt de mijt de groeiende delen op, om opnieuw eitjes af te zetten in de nog gevouwen blaadjes. De hoge luchtvochtigheid, die heerst in het hart van de plant, is optimaal voor de ontwikkeling van de jonge mijt. Onder gunstige omstandigheden kan een mijt 90 eitjes afzetten. Waarvan 80% zich als vrouwtje ontwikkelt. Voor de ontwikkelingen van ei tot volwassen beestje zijn 2 à 3 weken nodig.
Standaardafbeelding

Galmijten

De galmijten zijn te verdelen in twee groepen, nl. in soorten die duidelijk galvorming veroorzaken, bijv. de besserondknopmijt, en in soorten die vrij op de planten leven en beslist geen gallen vormen, zoals Aculus-soorten, waaronder de appelroestmijt. Deze mijten worden roestmijten genoemd omdat ze door voedselopname sterke bruinverkleuring van de bladeren kunnen veroorzaken. Gal- en roestmijten zijn erg klein, slank van vorm en meestal grijswit van kleur. Zij hebben slechts vier poten en zijn weinig beweeglijk. Overwintering vindt meestal plaats door mijten die verscholen zijn onder knopschubben en op andere beschutte plaatsen. Van hieruit begint dan het volgend voorjaar de cyclus opnieuw, soms reeds vroeg in het voorjaar, zoals met mijtesoort die de perepokziekte veroorzaakt, het geval is.
Standaardafbeelding

Spintmijten

De ontwikkeling van een spintmijt tot volwassen dier verloopt via een aantal ontwikkelingsstadia. Deze ontwikkelingsstadie worden afgewisseld met ‘ruststadia’, dat zijn stadia, waarin het dier stil zit op het blad alvorens over te gaan in het volgende. De vrouwtjes leggen de eieren op de takken, de bladeren, of tussen spinseldraden op de bladeren. De duur van dit eistadium kan variëren van 7 tot 14 dagen, afhankelijk van de spintsoort en de temperatuur. Uit de eieren komt een larve. Deze is gemakkelijk te herkennen aan het aantal poten, namelijk zes. In de drie volgende stadia zijn er acht poten. De ontwikkelingsduur van larve tot volwassen vrouwtje duurt ongeveer twee weken, eveneens afhankelijk van de spintsoort en de temperatuur. De ontwikkeling van de mannetjes gaat in de regel wat vlugger. Gedurende deze ontwikkeling kan door weersomstandigheden soms grote sterfte optreden. Wind, vooral als die vergezeld gaat van regen, kan de oorzaak zijn van het verdwijnen van grote aantallen spintmijten. Dit kan aanleiding geven tot het vaak zeer grillige verloop van mijtenpopulaties. Gedurende de zomer komen verscheidene generaties tot ontwikkeling. Het aantal generaties is van veel factoren afhankelijk. De soort mijten, de kwaliteit van de waardplant en de weersomstandigheden zijn daarvan de belangrijkste.